De stijgende aanbodcurve weerspiegelt dat aanvullende eenheden vaak hogere marginale productiekosten hebben.
12 Matching Annotations
- Last 7 days
-
viewer.athenadocs.nl viewer.athenadocs.nl
-
-
Een inkomensstijging verhoogt de vraag naar een normaal goed en verlaagt de vraag naar een inferieur goed
-
-
viewer.athenadocs.nl viewer.athenadocs.nl
-
Daarna ga je van de hulplijn naar de werkelijke nieuwe budgetlijn. De relatieve prijzen blijven gelijk, terwijl de bestedingsruimte verandert. De beweging van B naar het nieuwe optimum C is het inkomenseffect. Samen vormen zij het totale prijseffect
Nieuwe budgetlijn en oude indifferentiecurve.
-
Het substitutie-effect isoleert de verandering in relatieve prijzen. In de grafiek teken je daarvoor een hulplijn die parallel loopt aan de nieuwe budgetlijn en de oude indifferentiecurve raakt
Het substitutie effect vindt plaats op de indifferentiecurve
-
Bij perfecte substituten (rechte indifferentiecurven) werkt de raakvoorwaarde MRS = Pₓ/Pᵧ niet — je krijgt een hoekoplossing: al het geld gaat naar het goed met het hoogste nut per euro (vergelijk a/Pₓ met b/Pᵧ). Bij perfecte complementen (L-vormig) ligt het optimum op de knik, niet op een raakpunt; los daar X = Y op met de budgetlijn. Zoek dus niet blind naar een raakpunt.
-
Bij perfecte complementen worden goederen juist in een vaste verhouding gebruikt. De indifferentiecurven zijn L-vormig.
-
Een optimum op een as heet een hoekoplossing
-
De helling van de indifferentiecurve is negatief
-
De marginale substitutieverhouding, of MRS, vergelijkt deze marginale nutten
-
De gebruikelijke kromming naar de oorsprong hangt samen met de afnemende bereidheid tot ruilen.
Indifferentiecurve
-
Een indifferentiecurve verbindt bundels die hetzelfde niveau van tevredenheid geven. De consument is tussen die bundels indifferent
-
en slotte veronderstellen we vaak een afnemende bereidheid om het ene goed voor het andere op te geven: wie al veel X heeft, wil voor nog één extra X minder Y inleveren.
Voorkeuren en indifferentiecurven
-