47 Matching Annotations
  1. Last 7 days
    1. Houd stroom en voorraad uit elkaar: besparing en het begrotingstekort zijn stromen (per periode); vermogen en overheidsschuld zijn voorraden (op een moment). En let op S = I: dat geldt macro (nationaal), niet dat elk huishouden evenveel spaart als het investeert → financiële markten koppelen spaarders aan investeerders. Reken-truc: S = Y − C − G rechtstreeks (belastingen vallen tegen elkaar weg tussen privaat en publiek sparen)

      Handig

    2. Besparing is het deel van het beschikbare inkomen dat niet wordt geconsumeerd. Het is een stroom per periode. Vermogen is een voorraad op een bepaald moment:

      stroom vs voorraad

    3. Defleren vs indexeren → twee kanten van dezelfde munt. Defleren = een nominaal bedrag terugrekenen naar koopkracht: deel door (CPI/100). Indexeren = een bedrag ophogen zodat de koopkracht gelijk blijft: vermenigvuldig met CPIₜ/CPIₜ₋₁. Reken-check bij reëel loon: niet "4% − 6% = −2%" als eindantwoord, maar exact 1,04/1,06 − 1 = −1,89% (het verschil van de percentages is alleen een benadering).

      defleren vs indexeren

    4. De multiplier-familie in één overzicht (bij c = marginale consumptiequote). Besteding: M_B = 1/(1−c) → bij c=0,8 is dat 5. Belasting: M_T = −c/(1−c) → −4 (kleiner, want de eerste ronde is maar c euro). Balanced budget (G én T samen omhoog): = 1. Met lekken wordt de noemer groter en de multiplier kleiner: met import m en tarief t → 1/(1−c(1−t)+m). Vuistregel: elk lek (sparen, belasting, import) maakt de noemer groter → multiplier kleiner → hogere belastingen werken als automatische stabilisator.

      multiplier in een notendop

    5. Lees het Keynesiaanse kruis goed: de 45°-lijn is waar Y = PAE (alle evenwichtskandidaten); de bestedingslijn (PAE) is vlakker omdat een deel van extra inkomen wordt gespaard. Het snijpunt = evenwichtsinkomen. Links ervan: geplande bestedingen > productie → onbedoelde voorraadafbouw → bedrijven produceren méér. Rechts: voorraadopbouw → minder productie. Valkuil: een hoger inkomen is een beweging langs de lijn; meer autonome bestedingen verschuiven de hele lijn omhoog

      Keynesiaanse kruis in een notendop

    6. Dit is de centrale gedachte van het Keynesiaanse model: op korte termijn, bij vaste prijzen en voldoende ongebruikte capaciteit, bepaalt de vraag hoeveel er wordt geproduceerd.

      productie aanpassing

    7. Onderbesteding gaat meestal samen met extra conjuncturele werkloosheid en minder inflatiedruk. Overbesteding zorgt juist voor een krapper arbeidsaanbod en meer druk op prijzen

      Outputgap

    8. De kern: obligatieprijs en marktrente bewegen tegengesteld. De coupon ligt vast; een hogere yield verlaagt de contante waarde van die vaste betalingen → prijs daalt. Herken drie situaties: - yield > couponrente → prijs onder pari (zoals 981,41 bij 4% coupon en 5% yield). - yield = coupon → rond pari. - yield < coupon → boven pari. En: langere looptijd = gevoeliger voor rente (verre betalingen reageren sterker). Valkuil: een hogere yield lijkt aantrekkelijker, maar weerspiegelt vaak extra risico

      obligaties in een notendop

    9. Obligatieprijs en marktrente bewegen tegengesteld. De contractuele betalingen blijven gelijk, maar een hogere discontovoet verlaagt hun contante waarde.

      marktrente obligatie

    10. Bij een yield gelijk aan de couponrente ligt een gewone obligatie op een coupondatum rond pari; bij een lagere yield ligt de prijs boven pari.

      obligatie en yield

    11. De uitgever belooft doorgaans periodieke rente, de coupon, en terugbetaling van de hoofdsom aan het einde van de looptijd. De coupon wordt bepaald door de contractuele couponrente. De prijs van de obligatie wordt bepaald door de actuele rendementseis op vergelijkbare beleggingen, de yield.

      obligatie

    12. Als de benodigde reële rente negatief is en de nominale rente een effectieve ondergrens bereikt, kan de feitelijke rente te hoog blijven. De vraag is dan te laag om alle beschikbare productiecapaciteit te gebruiken. Dit mechanisme wordt gebruikt om langdurige stagnatie te verklaren.

      stagnatie

    13. In de markt voor uitleenbare middelen is sparen het aanbod, investeren de vraag, en de reële rente de prijs. Twee bewegingen niet verwarren: - meer gewenst sparen → aanbod naar rechts → rente daalt; meer investeringsvraag → rente stijgt. - Crowding out: een groter begrotingstekort verlaagt de nationale besparing → aanbod naar links → rente stijgt → private investeringen vallen deels weg. Let op: bij een verticale besparingscurve verandert een vraagverschuiving alleen de rente, niet de hoeveelheid.

      belangrijk

    14. Bij een verticale besparingscurve ligt de totale beschikbare hoeveelheid vast. Een verschuiving van de investeringsvraag verandert dan de rente, maar niet de uiteindelijke hoeveelheid besparingen en investeringen.

      verticale besparingscurve

    15. Ezelsbruggetje! Een bedrijf investeert als de opbrengst de kosten dekt. Twee vormen: één periode → VMP > r·P_K (marginale opbrengst > rentekosten). Meerdere jaren → NCW = Σ kasstromen/(1+k)ʲ − aanschafprijs; investeer bij NCW > 0. Kerninzicht voor de kapitaalmarkt: een lagere rente verhoogt de contante waarde van toekomstige opbrengsten → méér projecten worden rendabel → meer investeringen. Rente omlaag = investeren aantrekkelijker.

      handig

    16. Hetzelfde onderscheid geldt bij de overheid: het jaarlijkse begrotingstekort is een stroom, de totale overheidsschuld een voorraad.

      stroom vs voorraad

    17. (1) Bbp meet productie, geen welvaart: vrije tijd, milieu, verdeling en onbetaald werk tellen niet mee → en herstel ná een ramp verhóógt het bbp terwijl de samenleving slechter af is. (2) BBP vs BNP: bbp kijkt naar de productielocatie (binnen het land), bnp naar het inkomen van nationale productiefactoren. BNP = BBP + factorinkomen uit buitenland − aan buitenland betaald.

      belangrijk

    18. n het onderscheid dat examens toetsen: verwachte inflatie zit al vóóraf in de nominale rente verwerkt; onverwachte inflatie verschuift koopkracht achteraf → onverwacht hoge inflatie helpt de schuldenaar (hij betaalt in minder waard geworden euro's terug), onverwacht lage inflatie de schuldeiser.

      belangrijk

    19. Dezelfde gedachte geldt voor aandelen en obligaties: een financiële transactie verplaatst eigendom of financiering, maar is niet de productie van een nieuw goed.

      obligaties

    20. Alleen finale goederen en diensten tellen rechtstreeks mee. Dat zijn producten voor eindgebruik of investering. Intermediaire goederen, zoals meel voor een bakker, zitten al in de waarde van het uiteindelijke brood

      finaal vs intermediair

    21. Stabilisatiebeleid probeert zulke schommelingen te beperken. Begrotingsbeleid werkt via overheidsbestedingen en belastingen; monetair beleid werkt via geld en rente. Structureel beleid richt zich op de productiecapaciteit, bijvoorbeeld via onderwijs of de werking van de arbeidsmarkt

      Vormen van beleid

    22. Op de lange termijn staat economische groei centraal: meer en betere productiemiddelen maken een hogere productie mogelijk. Op de korte termijn draait het vooral om schommelingen rond die ontwikkeling, zoals een recessie of een periode van sterke groei.

      Lange en korte termijn

    1. Verwar liquiditeit en solvabiliteit niet. Liquiditeit = op tijd kunnen betalen; solvabiliteit = genoeg vermogen om verliezen/verplichtingen te dragen. Een bank kan solvabel en illiquide zijn: bezittingen zijn méér waard dan schulden, maar ze zijn vastgelegd in langlopende leningen terwijl deposito's direct opvraagbaar zijn (looptijdtransformatie). Daardoor kan een bankrun zichzelf versterken, en daarom bestaan depositogarantie en de centrale bank als lender of last resort

      liquiditeit en solvabiliteit

    2. S-LM oplossen = twee vergelijkingen, twee onbekenden: stel beide Y-uitdrukkingen gelijk, los i op, vul terug voor Y. Crowding out in één zin: begrotingsverruiming schuift IS naar rechts → inkomen stijgt → geldvraag stijgt → rente stijgt → een deel van de private investeringen valt weg. Daarom stijgt Y mínder dan in het Keynesiaanse kruis (met vaste rente). Hoe sterk de verdringing is: sterker bij steile LM en bij rentegevoelige bestedingen; zwakker als de centrale bank meeverruimt.

      is lm

    3. Twee dingen scherp houden. (1) Vermogen ≠ geld: een woning is vermogen maar geen betaalmiddel → geld onderscheidt zich doordat het direct inzetbaar is voor betalingen (breed geaccepteerd, deelbaar, draagbaar). (2) M1  M2  M3: elke ruimere maatstaf bevat de vorige én voegt bezittingen toe die minder direct beschikbaar zijn. Vuistregel: hoe hoger het nummer, hoe ruimer én hoe minder liquide. Fiatgeld ontleent zijn functie aan acceptatie en vertrouwen, niet aan een onderliggende goudwaarde.

      handig

    1. 80 Het blootleggen en ontkrachten van een verouderd wereldbeeld is niet waar de scenarioanalyse stopt. Het reconstrueren van een nieuw model is de belangrijkste taak en is de verantwoordelijkheid van de managers zelf. Het is de taak van de planners om de interesse en deelname van de besluitvormers te betrekken bij deze reconstructie.

      scenario analyse

    2. Het doel van deze verkennende scenario's van de eerste generatie is niet actie, maar begrip. Hun doel is om inzicht te geven in het systeem, om de vooraf bepaalde elementen te identificeren en om verbanden waar te nemen tussen verschillende krachten en gebeurtenissen die het systeem aansturen

      eerste generatie

    3. Scenario's helpen managers om onzekerheid te structureren als (1) ze gebaseerd zijn op een gedegen analyse van de werkelijkheid en (2) ze de veronderstellingen van de besluitvormers over hoe de wereld werkt veranderen en hen dwingen om hun mentale model van de werkelijkheid te reorganiseren

      scenarios structureren

  2. Sep 2026
    1. Daarna ga je van de hulplijn naar de werkelijke nieuwe budgetlijn. De relatieve prijzen blijven gelijk, terwijl de bestedingsruimte verandert. De beweging van B naar het nieuwe optimum C is het inkomenseffect. Samen vormen zij het totale prijseffect

      Nieuwe budgetlijn en oude indifferentiecurve.

    2. Het substitutie-effect isoleert de verandering in relatieve prijzen. In de grafiek teken je daarvoor een hulplijn die parallel loopt aan de nieuwe budgetlijn en de oude indifferentiecurve raakt

      Het substitutie effect vindt plaats op de indifferentiecurve

    3. Bij perfecte substituten (rechte indifferentiecurven) werkt de raakvoorwaarde MRS = Pₓ/Pᵧ niet — je krijgt een hoekoplossing: al het geld gaat naar het goed met het hoogste nut per euro (vergelijk a/Pₓ met b/Pᵧ). Bij perfecte complementen (L-vormig) ligt het optimum op de knik, niet op een raakpunt; los daar X = Y op met de budgetlijn. Zoek dus niet blind naar een raakpunt.
    4. en slotte veronderstellen we vaak een afnemende bereidheid om het ene goed voor het andere op te geven: wie al veel X heeft, wil voor nog één extra X minder Y inleveren.

      Voorkeuren en indifferentiecurven